Waarover gaat het?

De problematiek van het zogenaamde loopbaanpact is sinds de lancering ervan in september 2010 nog steeds niet afgerond. De discussietekst onder minister Smet in juli 2012 bracht de discussies in een stroomversnelling, maar die versnelling kon niet worden volgehouden, want anno 2019 is er nog geen eindresultaat. Dat is eigenlijk niet verwonderlijk want de nota omvat ongeveer alles wat je je maar kan indenken rond de functie van het leraarschap. Denk maar aan:

  • drie trappen in de lerarenloopbaan: junior-leraar-expert;
  • een competentieportfolio van iedere leraar;
  • jobdifferentiatie en een outplacementbeleid;
  • loondifferentiatie op basis van leerlingkenmerken en context;
  • verruiming van de bekwaamheidsbewijzen;
  • groepering van lerarenopleidingen in ‘schools of education’;
  • inzetbaarheid leraren via scholengroeperingen;
  • jaaropdracht in plaats van prestatienoemers in lestijden.

Gaandeweg kwam bij deze indrukwekkende lijst nog de problematiek van het momenteel erg populaire doemdenken, dat stelt dat de onderwijskwaliteit achteruitgaat. Vandaar allerlei maatregelen over educatieve masters, educatief graduaat en instapproeven.

Een andere nieuwe klemtoon is het groeiende lerarentekort en de uitval van beginnende leraars uit het beroep. En deze laatste problematiek is momenteel sterk aan de orde. Het komt erop neer dat het lerarenberoep aantrekkelijk moet worden gemaakt en op die manier komen de discussies in het vaarwater van verloning, het promoten van het beroep en de taakbelasting cq tijdsbesteding van de leraar.

En in die laatste categorie past de mogelijke inzet van onderwijsassistenten.

Wat doet een onderwijsassistent?

Als je in de omringende landen kijkt naar welke functies er in een dergelijk hulpkader bestaan, zie je een grote mix van taken, waarbij de discussies over de zinvolheid van de functie doorkruist worden door de diverse dekking van het begrip onderwijsassistent. De verdenking is nooit ver weg dat het gaat om goedkopere arbeidskrachten. In Nederland bijvoorbeeld nemen onderwijsassistenten vaak onderwijstaken over wanneer er geen leraar beschikbaar is. De regering heeft daar een grootscheeps onderzoek opgezet om de mogelijkheden van het beter inzetten van onderwijsassistenten te onderbouwen. In Engeland en de VS zijn ‘teaching assistants’ of ‘paraprofessionals’ al sterk ingeburgerd.

Wij kennen al iets dat erop lijkt, bijvoorbeeld de studiemeester-opvoeder in het secundair onderwijs. In bepaalde gemeenten met veel andersculturele kinderen zijn er brugfiguren gecreëerd. Laten we ook niet de kinderverzorgsters in de kleuterscholen vergeten. In het buitenland zie je vaak hulpkrachten voor assistentie bij labowerk of het klaarzetten van apparatuur. En ten slotte zie je dat dergelijke assistenten vaak gewoon administratieve jobs vervullen bij het registreren van afwezigheden, het toezicht houden, kopiëren van lesmateriaal en dergelijke.

Om een iets betere kijk op de functie te krijgen, kunnen we best eens kijken naar de situatie in Engeland. Daar bestaat de functie al sinds 1994. In 1994 werd de zogenaamde ‘Code of Special Educational Needs’ gelanceerd, zeg maar een soort intentie voor inclusief onderwijs. Daarin werd gesproken over ‘teaching assistants’. Onderwijsassistenten waren vanaf de nieuwe regering van Labour in 1997 cruciaal voor de zogenaamde ‘literacy’ en ‘numeracy’ strategie met de daaraan verbonden targets. Die hielden in dat 75 % of 80 % van de kinderen de eindniveaus van de lagere school moesten halen voor respectievelijk taal en rekenen. In het kielzog daarvan werden op grote schaal volledig uitgewerkte lessen verspreid. Daarbij werd ook voorzien in materiaal voor ‘teacher assistants’. In 1977 waren er op die wijze al 60.000 assistenten en in 2007 al 163.000. In 2003 tekende de regering een akkoord met de onderwijsvakbonden om duidelijker te omschrijven waaruit de functie van onderwijsassistent moest bestaan. Ze was duidelijk onderscheiden van de leraarsfunctie in drie mogelijkheden:

  • administratieve taken,
  • beperkte vervanging van leraren voor maximum drie dagen afwezigheid,
  • hulp bij voorbereiding, planning en evaluatie van lessen (PPA: Preparation Planning, Assessment).

De weekprestatie op school was bepaald op 38 u en 10 % van die tijd mocht worden besteed aan PPA. Bij overschrijding daarvan kon de hulp van onderwijsassistenten worden ingeroepen.
Tegelijkertijd werd ook in een beroepsprofiel voorzien voor onderwijsassistenten die onderwijsgericht bezig waren, namelijk voor de Higher Level Teaching Assistants (HLTA), verder in deze tekst senior assistenten genoemd. Die moesten dan een opleiding volgen voor een beroepsprofiel met 33 competenties (TDA, 2004).

In 2017 waren er in Engeland 262.800 onderwijsassistenten in voltijdse ambten uitgedrukt (85 % werkt deeltijds). Het gaat om niet minder dan 27,8 % van het onderwijzend personeel (Speck, 2018, 43). In 2012 waren er binnen dat korps 39.000 gecertificeerde HLTA’s. Ze waren zowel werkzaam in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs. Gemiddeld gezien zijn er per school twee dergelijk gecertificeerde assistenten, dus naast de andere gewone assistenten.

De doorstroom van een onderwijsassistent naar een senior vertrekt vanuit een profiel dat door de directie van een school samen met de kandidaat wordt afgesproken. Het is immers zo dat de assistenten vroeg of laat een bepaalde specialiteit kiezen en zich daarin steeds verder vervolmaken. Klassiek zijn de profielen, die ingezet worden voor kinderen met verhoogde zorgnoden, bijvoorbeeld dyscalculie, dyslexie, ADHD, motorische handicaps… Maar vele assistenten specialiseren zich ook in het remediëren van lezen of rekenen. Meestal treden ze op via individuele begeleiding of met kleine groepjes. In het secundair onderwijs gaat het ook meestal om remediëring voor Engels of wiskunde.

Met dat profiel gaan de assistenten naar de opleiding, waar ze voorbereid worden op de 33 competenties. De opleiding eindigt met een assessment, onder meer door een bezoek van een assessor in de school.

Is er een meerwaarde?

Sinds de invoering van de onderwijsassistenten en meer bepaald de senior assistenten is er heel wat onderzoek gebeurd naar de inzet en het rendement van de onderwijsassistenten. Belangrijk is dat de onderwijsvakbonden ook deze assistenten vertegenwoordigen en dus ook een gepast statuut en verloning bewaken. De onderzoeken geven een overwegend positief beeld, althans wat de senior assistenten betreft. Voor de andere assistenten is het moeilijk om er onderzoek over te doen, gezien de grote spreiding van administratieve en logistieke taken die ze uitvoeren. Directies zijn overwegend positief en vinden dat deze seniors bijdragen aan de prestaties en het gedrag van leerlingen met bijzondere noden. Ook de senior assistenten tonen een positief beeld over hun functie. Sommige onder hen zien het ook als een brug om door te stromen naar een leraarskwalificatie.

De Amerikaanse onderwijskundige Robert Slavin analyseerde een drietal metastudies over de effecten van ‘paraprofessionals’ in het onderwijs. In de drie overzichtsstudies bleek het effect van onderwijsassistenten bij individuele inhaallessen en bij remediëring in kleine groepjes, ten minste gelijk aan en soms zelfs beter dan het werk van de leraren (Slavin 2018).

Denkspoor naar Vlaanderen

Uit de ervaringen in Engeland sinds enkele decennia blijkt dat onderwijsassistenten een meerwaarde kunnen bieden. Het gaat dan wel meestal om remediëringstaken, waarin de assistent zich vervolmaakt heeft. Belangrijk is dat de school zelf de profielen van de assistent bepaalt en dat de kwalificatie van senior assistent gebouwd wordt op het profiel dat de school en de kandidaat zijn overeengekomen. Onderwijsassistenten zijn in Engeland een normaal onderdeel van het korps geworden. Belangrijk is dat ze niet aan bepaalde leraren verbonden worden, maar hun opdrachten voor de school als geheel krijgen van de directie of de zorgcoördinator. Zeker bij de implementatie van het M-decreet zijn onderwijsassistenten een mogelijk inzetbaar. De discussie is open of het dan om een Se-n-Se of een graduaat moet gaan.

Uiteraard moet de positie van onderwijsassistent worden vertaald naar de Vlaamse context. Dat betekent via een constructief en liefst niet defaitistisch gesprek tussen de overheid, de onderwijsvakbonden, de schoolbesturen en de ouders. En die discussie mag best grondig worden gevoerd.

Bronnen

Drury, Emma (2013). Making the leap from teaching assistant to teacher. The Guardian. Teacher’s blog Career Advice. 26 June.

Graves, S. & Williams, K. (2017). Investigating the role of the HLTA in supporting learning in English schools. Cambridge Journal of Education, 47, n° 2, 256 -267.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). Beleidsbrief 19 januari ‘aan de leraar’. Den Haag: Tweede Kamer, 12 blz.

Slavin, R. (2018). New findings on tutoring/ four shockers. Robertslavinsblog.wordpress.com April 5, 2018.

Speck, D. (2018). Next week, there will be no TAs. Tes, 7 December, 40-47.

Training and Development Agency for Schools (TDA) (2005). The professional standards for higher level teaching assistants. www.tda.gov.uk

Wilson, Rebekah e.a. (2007). Research into the deployment and impact of support staff who have achieved HLTA status. Slough, National Foundation of Education Research, 92 blz.

Woodward, M. & Peart, A. (2009). Supporting education. The role of higher level teaching assistants. London, Association of Teachers and Lecturers, 52 blz.

Geef een reactie

Sluit Menu