Waarover gaat het?

Vraag aan leraren hoe waardevol ze groepswerk in de klas vinden, en je krijgt gegarandeerd geanimeerde discussies. Naast fervente voorstanders zijn er sterke sceptici, met daartussen een meerderheid die pro en contra in de weegschaal legt. Vaak zijn leraren het erover eens dat groepswerk waardevol is om sociale vaardigheden in te oefenen, meer bepaald om vakoverschrijdende of leergebiedoverschrijdende sociale doelen te bereiken. Mogelijk leggen ze ook de link met leren participeren in de samenleving en met democratische vorming.

Maar is groepswerk ook waardevol om leerlingen samen cognitieve opgaven te leren oplossen? Daarover zijn er al wat meer twijfels. Een veel gehoord bezwaar is het risico op tijdverlies, de vele decibels en de soms oneerlijke manier waarop leerlingen taken onder elkaar verdelen.

Over de impact van het groepswerk op zowel affectieve als op cognitieve leerresultaten is er relatief weinig onderzoek beschikbaar. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat groepswerk sterk contextgebonden is en vasthangt aan een bepaald vak of leergebied. Het gebrek aan onderzoek heeft ook te maken met de grote variatie in vormen van groepswerk: waar begin je mee?

Boven die diverse contexten is er echter een vrij recent type van onderzoek in ontwikkeling, waarbij de essentiële indicatoren van goed groepswerk in kaart  worden gebracht. Meer nog, waarbij die indicatoren in verband worden gebracht met linguïstische kenmerken van het taalgebruik. Anders gezegd, als leerlingen beantwoorden aan bepaalde indicatoren van goed groepswerk en als ze daarbij de gepaste taaluitingen gebruiken, presteren ze dan beter op zowel cognitieve taken als op het samenwerken op zich? Kunnen ze van elkaar leren via taal en tegelijk beter samenwerken?

Onderzoek

Hoe onderzoek je de link tussen taal en leren in groepswerk? Allereerst moet je beschikken over indicatoren van goed groepswerk. Daarbij is het niet overbodig enkele supercategorieën van groepswerk te onderscheiden. Bijvoorbeeld groepswerk dat gericht is om een eigen doel binnen te halen (competitief) of groepswerk dat gericht is om tot een compromis te komen (consensus zoeken). Een derde vorm is dan het oplossen van een probleem, waarbij leerlingen kritisch en constructief moeten overleggen om tot de oplossing te komen (explorerend groepswerk).

Het is vooral dit derde type dat zowel cognitieve en affectieve elementen van leren met elkaar kan combineren. Dat biedt het voordeel dat dit groepswerk in principe in elk vakgebied toepasbaar is. Het is dan nodig om naar de linguïstische kenmerken van het spraakgebruik te zoeken, dat positief werkt voor probleemoplossing. Voorbeelden van zulke linguïstische kenmerken zijn waaromvragen, reactievormen op bijdragen, bepaalde zinsconstructies, bepaalde bijwoorden … Daarnaast moeten de groepsleden qua taalgebruik en omgangsvormen beantwoorden aan de indicatoren van goed explorerend groepswerk. Daartoe moeten ze een aantal basisregels gebruiken: tussenkomsten in tijd beperken, voldoende wisselen in de tussenkomsten, kwaliteitsvragen stellen enzovoort. De deelnemers moeten zich aan een aantal regels houden om kwaliteitsvol groepswerk te leveren.

Nu komt het onderzoeksdesign. De leraar wordt gevraagd om zijn leerlingen de basisregels van goed groepswerk aan te leren en gedurende een tijd te laten inoefenen. Daarnaast moet de onderzoeker via toetsing bij het begin en na het leerproces nagaan of de leerlingen erop vooruit zijn gegaan. Dat ziet er eenvoudig uit, maar in de realiteit is dit een heel complex onderzoek dat zowel kwalitatief als kwantitatief is. De onderzoeker moet namelijk de groepswerken analyseren op hun kwaliteit en op het gebruik van de basisregels van goed groepswerk. Dat vraagt om video en -audioregistratie van de groepswerken en complexe transcriptieschema’s om de gevraagde kenmerken te inventariseren.

Een pioniersonderzoek

Een tijdje geleden heeft Jan T’Sas een proefschrift verdedigde aan de universiteit van Antwerpen, waarin hij verslag uitbrengt van een dergelijk complex onderzoek over de mogelijke meerwaarde van exploratieve gesprekken tijdens groepswerk. Exploratieve gesprekken gaan over kritisch argumenteren, elkaar aanmoedigen om te spreken, respect en kritiek met elkaar combineren en naar een consensus streven e.d. Allemaal zaken die her en der in de leerplannen staan maar die zelden als één geheel worden aangeleerd en precies dat blijkt cruciaal.

Via een zorgvuldig onderzoeksdesign werden klassen van het vijfde en zesde leerjaar lager onderwijs in dit groepswerkproject ingezet. De klassen werden in groepjes van drie leerlingen ingedeeld, die dan over een bepaald onderwerp probleemoplossend moesten converseren. In elk klas duurde het hele experiment drie maanden. Er was een controlegroep van klassen die niet werden geoefend in ‘exploratief spreken’. De  experimentele groep leerde die gesprekstechnieken wel aan. Een beginmeting werd dan vergeleken met een meting na de inscholing. Meetpunten waren enerzijds de vooruitgang in de kwaliteit van het groepswerk (aantal tussenkomsten, duur van de tussenkomsten, kwaliteit van de tussenkomsten, spreiding van de tussenkomsten). Anderzijds werd via een bepaalde cognitieve test ook nagegaan of de leerlingen beter werden in probleemoplossend denken.

Het is een zware uitdaging om een dergelijk onderzoek methodologisch acceptabel te maken, te meer omdat het om diverse, ordinale observatieschalen gaat.

Bovendien ging de onderzoeker na of de effecten verschillend waren naargelang van de individuele karakteristieken van de leerlingen: geslacht, socio-economische status en de prestaties op een toets voor wiskunde en spelling. Opmerkelijk daarbij is dat leerlingen met een lage socio-economische status extra goede vooruitgang boekten.

Het resultaat is veelbelovend. Niet alleen betekent dit onderzoek een methodologische krachttoer; het toont tegelijkertijd aan dat er – mits het aanleren van de basisregels van explorerend groepswerk – duidelijke leerresultaten zijn. En dit tegelijkertijd voor de kwaliteit van het groepswerk en voor de verbetering van het probleemoplossend gedrag van de leerlingen.

Ter overweging

Met dit onderzoek is het mogelijk om met meer optimisme naar het toepassen van groepswerk, althans het explorerend groepswerk, in de klas te kijken. Tegelijkertijd betekent het ook dat het aanleren van de basisregels van goed groepswerk systematisch moet worden aangepakt. In feite zou dit aanleren van explorerend groepswerk in de eindtermen moeten worden opgenomen.

Daarnaast verdient dit type onderzoek, dat tijdrovend, intensief en daardoor relatief duurder is, meer aandacht bij de besteding van onderzoeksbudgetten. Het is onderzoek dat direct bruikbaar is voor de praktijk in de klas.

Bron:

T’Sas, Jan, Learning outcomes of exploratory talk in collaborative activities. Antwerpen, Faculteit Sociale Wetenschappen – Antwerp School of Education, 2018, 312 blz. (proefschrift).

Een nummer bestellen of een abonnement nemen?

Geef een reactie

Sluit Menu