Naar aanleiding van het verschijnen van Volume III over de PISA resultaten (‘student’s well-being’), werden we geconfronteerd met  antwoorden op de vragenlijsten door de leerlingen. Meest opvallend was het bericht dat onze  vijftienjarigen weinig ambitieus zouden zijn.  Dat werd voornamelijk afgeleid uit de antwoorden op de vraag of ze in alles wat ze doen de beste willen zijn. Met een eenvoudige druk op de knop van het statistische softwareprogramma krijgt PISA de antwoorden in percentages van  alle deelnemende landen. Uit die cijfers blijkt dat niet eens één derde van de Vlaamse jongeren zich daarin kan vinden. In die zin zit Vlaanderen in de rangschikking behoorlijk achteraan ten opzichte van  de jongeren in  andere landen. In de meeste landen ligt het zogenaamde ambitieniveau hoger.

Zoals meestal het geval is, worden uit dergelijke rangschikkingen al te vlug conclusies getrokken. Sommigen gaan zelfs zo ver het onderwijs en de onderwijsstructuur als verklarende factor te zien. Dat is  erg gewaagd omdat het verband tussen één bepaald kenmerk en een onderwijsstructuur uitermate  moeilijk te leggen is. Er spelen zoveel diverse factoren mee in het vormgeven van een onderwijs, dat  een oorzakelijk verband met  een correlatie tussen de antwoorden op enkele vragen uit een vragenlijst met een structuur, eigenlijk niet kan. Misschien is het niet eens het onderwijs dat er iets mee te maken heeft, maar de gebruiken en gewoonten in de samenleving en in de gezinnen.

Wat is ambitie?

Om te beginnen, kan je de vraag stellen, hoe je ambitie definieert.  Uit de geschiedenis van de psychologie is gebleken dat  allerlei pogingen om de karaktertrekken van een mens in beeld te brengen, voor veel discussie vatbaar zijn. De voorspellende waarde van die  karaktertesten is behoorlijk klein. Dat is logisch omdat karaktertrekken  de schijn geven heel het gedrag van een mens te bepalen. In de praktijk blijkt, dat je karaktertrekken telkens aan situaties  en contexten moet binden om valide  uitspraken te doen. Je kan ambitieus zijn om viool of volleybal te spelen. Je kan ambitieus zijn om in een groep graag gezien te worden. Of je kan ambitieus zijn in het werken met het  opzoeken van planten in een flora. Je kan ook ambitieus zijn bij vak A en niet bij vak B.

Naast deze over vereenvoudiging bij het veralgemenen van een karaktertrek over het geheel van alle gedragingen, kan je ook de  principiële vraag stellen of het voor je persoonlijk welbevinden wel goed is om in alles wat je doet, de eerste te willen zijn. Dat is zeker niet vanzelfsprekend.  Het zal je veel stress geven bij het  veronderstellen dat je overal moet  uitblinken.

Ten slotte kan  je ook over de maatschappelijke weerslag  nadenken van aannames  die aan de grondslag liggen van dergelijke vragen. Waarom moet je je altijd vergelijken met anderen? Is het niet beter  je zelf uit te dagen om, vanuit je mogelijkheden en beperkingen, je te vergelijken met je zelf?  In een talentenbenadering is iedere stap vooruitgang, een meevaller, onafgezien of je dan bij de bollebozen bent of niet. Verder doordenkend op dit soort rangschikkingen  kan je  de vraag stellen of dit niet  de vanzelfsprekende aanname inhoudt, dat concurrentie en competitie wezenlijk zijn voor het menselijk bestaan.  Samenleven en waardering voor mensen met diverse talenten, ook zonder dat ze tot de besten behoren, zijn wezenlijk voor goed functionerende democratieën.

Laat onze vijftienjarigen maar rustig verschillende ambities hebben. Wellicht gaan ze dan een jeugd tegemoet met veel meer welbevinden. En laat ze maar vooral ambities hebben in die dingen waarin ze goed zijn.

Geef een reactie

Sluit Menu